©

Voorbereiden van de planning

Vereiste specifieke waarden en materiaalfuncties

Binnenisolatie mag nooit zonder een vakkundige planning worden geplaatst, omdat het hygrothermisch gedrag van de constructie ingrijpend wordt gewijzigd door de binnenisolatie. Gerenommeerde fabrikanten van binnenisolatiesystemen stellen de specifieke waarden en materiaalfuncties ter beschikking die voor de planning of de simulatie vereist zijn.

Analyse van het object

De eerste stap in het plaatsen van een binnenisolatie moet steeds een analyse van de toestand van het gebouw zijn.

De eerste fase daarin is de analyse en evaluatie van zichtbare schade en het bepalen van de "gebruikelijke" specifieke waarden, zoals

  • opbouw en dimensionering van wandconstructies
  • vocht- en zoutbelasting
  • oorzaken van de vocht en zoutbelasting, zoals optrekkend vocht of een gevel die niet is beschermd tegen slagregen

Daar komen bij: de warmtetechnische toestandsvariabelen van het gebouw

  • R-waarde van de bestaande wandconstructie(s)
  • koudebruggen

Er moet aandacht worden geschonken aan de aanwezige bouwmaterialen, vooral aan de binnenkant van buitenmuren, met betrekking tot hun weerstand tegen vocht en aan de algemene constructieve toestand van componenten aan de buitenkant.

Brandvertraging

De structurele eisen voor gebouwen nemen toe met de grootte en de hoogte van het gebouw. In overeenstemming daarmee worden zogenaamde gebouwklassen vastgelegd, die normaal gezien worden bepaald op basis van de hoogte van de vloer van de bovenste verdieping. Meer nauwkeurige definities zijn opgenomen in de regionale bouwvoorschriften, die in de verschillende regio's van Duitsland licht van elkaar verschillen.

Voor bouwvoorschriften en voor de bouwinspectie relevante eigenschappen over brandbeveiliging verwijzen we daarom naar de plaatselijke wetgeving en de lijsten met technische bepalingen van de afzonderlijke regio's, en de bouwregellijsten.

Vochtbescherming

Met een binnenisolatie kan nog slechts een geringe hoeveelheid warmte-energie in de wandconstructie binnendringen. Er is daarom nauwelijks nog verdampingsenergie beschikbaar. Vocht dat via slagregen of in de vorm van condens binnendringt kan, met name in de wintermaanden, slechts beperkt naar buiten drogen. Gevels blijven langer vochtig, verzadigen meer en koelen meer af. Hierdoor is het risico op vorst in het metselwerk en schade die daaruit voorkomt groot. Tegen deze achtergrond zijn er verschillende eisen inzake vochtindringing binnen geïsoleerd metselwerk, waarmee al bij het opstellen van het energetisch renovatieconcept rekening moet worden gehouden.

©

Bij bouwconstructies met binnenisolatie moet, om de hierboven genoemde redenen, bij de planning zorgvuldig rekening worden gehouden met een mogelijke belasting door slagregen. Voor het bewijs van naleving mogen enkel hygrothermische simulaties worden gebruikt (meer informatie vindt u in DIN EN15026 en WTA-merkblad 6-1). Onder bepaalde omstandigheden kan het tot stand brengen van een bescherming tegen regen als een integraal onderdeel van het creëren van een binnenisolatiesysteem worden beschouwd. Vaak hebben deze gebouwen gedetailleerd uitgewerkte, fijn gestructureerde gevels, eventueel met steenfaçade. Dat betekent dat waterafstotende gipsmaterialen vaak gedeeltelijk of helemaal niet worden gebruikt. Bij de daaruit resulterende overwegingen moeten eerst de verschillende mogelijkheden voor een constructieve vochtbescherming worden onderzocht. Indien mogelijk en wanneer dat economisch en optisch verantwoord is, moeten problematische zones zoals kroonlijsten, muurkronen, waterslagen, enz. worden afgedekt. Vervolgens moeten de mogelijkheden voor een hydrofoberende impregnering worden onderzocht. In veel gevallen zal het noodzakelijk zijn om de wateropname van de gevel ter plaatse met behulp van het buisje van Karsten of op materiaalmonsters in het laboratorium vast te stellen. De wateropname is naast het materiaalsoort en de materiaaldichtheid een belangrijke parameter om uit de uitgebreide database van commercieel beschikbare simulatieprogramma's de meest geschikte materialen te selecteren. Deze aanpak is in de meeste gevallen toereikend, omdat de thermische en hygrische materiaalfuncties die voor de simulatie vereist zijn, slechts in zeldzame gevallen kunnen worden bepaald voor materialen die specifiek in de constructie aanwezig zijn. Gedetailleerde informatie hierover vindt u in de WTA-merkbladen 6-1 en 6-2.

Voor simulatieberekeningen moet rekening worden gehouden met de slagregenbelasting van de gevel. De relevante programma's bevatten klimaatrecords die in overeenstemming met de ligging en de blootstelling van de constructie moeten worden geselecteerd. Instructies hiervoor vindt u in DIN 4108-3.

Wanneer de bescherming tegen slagregen niet kan worden gegarandeerd, moet de voorkeur worden gegeven aan capillair actieve binnenisolatiesystemen, omwille van het hogere droogvermogen en de beperkte dikte van de isolatielaag.

De bescherming tegen slagregen van een gevel uit metselwerk betekent niet enkel een bescherming voor de binnenisolatie of een beveiliging tegen gevolgschade, maar afzonderlijk toegepast bovendien een efficiënte maatregel voor energiebesparing.

In paragraaf 4.2.1 van de DIN 4108-3 norm zijn voorwaarden opgenomen, waarbij de condensvorming binnen bouwstructuren als niet-kritisch wordt beschouwd. De naleving van deze voorwaarden moet vóór de uitvoering van een binnenisolatie in de zin van een minimumvereiste rekenkundig worden aangetoond.

  • Als basisvoorwaarde geldt dat de hoeveelheid condens dat tijdens de dooiperiode ontstaat (mW,T) niet groter mag zijn dan de verdampingshoeveelheid mW,V, mWT < mW,V, omdat anders het totale vochtgehalte van de bouwstructuur door de jaren heen zou toenemen.
  • Voor dak- en wandstructuren geldt dat de hoeveelheid condensaat per m² wandoppervlak steeds onder 1,0 kg moet blijven, mWT < 1,0 kg/m². Op contactvlakken van capillair niet-waterabsorberende lagen, bijv. van vezelisolatie, luchtlagen, dampschermen, betonlagen of materialen met een waterabsorptiewaarde van < 0,5 kg (m²h^0,5) moet die waarde onder 0,5 kg per m², mWT < 0.5 kg/m² blijven.
  • Bouwmaterialen die met condens in contact komen, mogen niet worden beschadigd. (bijv. door corrosie)
  • Een verhoging van het vochtgehalte met meer dan 5% bij hout en met meer dan 3% bij houtcomposietmaterialen is niet toegestaan.

Enkel bij dampblokkerende en dampremmende systemen, die worden gebruikt voor buitenmuren en waarbij andere vormen van vochtindringing zijn uitgesloten, mag voor het bewijs van naleving van de gestelde eisen de "klassieke" Glaser-methode worden gebruikt, omdat hier enkel rekening wordt gehouden met de warmtegeleiding en de waterdampdiffusie onder stationaire omstandigheden. Anders is het voor het bewijs van vochtbescherming van binnenisolatiesystemen noodzakelijk om geschikte computerprogramma's voor een hygrothermisch simulatie te gebruiken. Meer informatie hierover vindt u in DIN EN 15026 en de WTA-merkbladen 6-1 en 6-5.

©

Op de volgende afbeelding van het Frauenhofer Institut für Bauphysik wordt de afnemende vochtbelasting / geleidelijke droging van een baksteenmuur na hydrofobering over een periode van 5 jaar weergegeven. Het vochtgehalte van ca. 16% op het tijdstip van de hydrofobering is in het rood aangegeven.

In deze afbeelding van het Frauenhofer Institut für Bauphysik wordt het causale verband tussen het vochtgehalte van bouwmaterialen en de daarvan afhankelijke warmtegeleiding weergegeven. Als we bijvoorbeeld kijken naar een baksteen die dankzij een hydrofoberende behandeling een ingrijpende wijziging ondergaat in het warmtegeleidend vermogen over een periode van 5 jaar (afbeelding 1), dan stellen we, dankzij de geleidelijke droging van de baksteen als gevolg van de hydrofobering, een verbetering van het warmtegeleidend vermogen van 0,77 W/(mK) naar 0,46 W/(mK) vast.

©
©

Warmte-isolatie

Hygiënische minimale warmte-isolatie

In de eerder genoemde paragraaf van DIN 4108-2 worden minimale voorwaarden (zie paragraaf 3.1.2) voor de warmte-isolatie van buitenmuren van gebouwen beschreven. Wanneer aan die voorwaarden bij "normaal gebruik" van het gebouw wordt voldaan, zorgt dit er met hoge waarschijnlijkheid voor dat geen structureel-relevante vochtschade en gevaar voor de gezondheid ontstaat door schimmelvorming.

Bewijs van warmte-isolatie volgens EnEV

Bij veranderingen aan bestaande gebouwen zijn, afhankelijk van de omvang van de renovatiewerken, twee verschillende methodes mogelijk voor het leveren van het bewijs van warmte-isolatie.

  • Ofwel moeten, in overeenstemming met de procedure voor bouwstructuren, de vereiste warmtedoorgangscoëfficiënten (U-waarden) worden nageleefd, ofwel
  • moeten, in overeenstemming met de afschrijvingsprocedure, de maximale waarden van de jaarlijkse behoefte aan primaire energie van het volledige gebouw worden voorgelegd.

De grootte van de relevante eisen is beschikbaar in de geldende versie van de Energiebesparingsverordening.

Materiaalfuncties en specifieke waarden

Opmerking

Om de bestanden op uw pc op te slaan, klikt u met de rechter muisknop op de bestandsnaam en selecteert u het commando "Opslaan als".